Menu Close

Category: Geen categorie

Nieuwe preutsheid

LieveMijnheer J.J Groen, een Limburgse rechter, beoordeelt als hobby, boeken voor de Nederlandse bibliotheken. Hotel California vindt hij niks, want te veel seks naar zijn smaak. Een preutse Limburgse rechter, wie had dat gedacht.

De maatschappij wordt steeds preutser zegt Ronald Giphart in het AD.  ‘De schaamte keert langzamerhand terug.’  Voor zijn nieuwe roman Lieve wilde hij ‘weer ouderwets over seks’ te schrijven. ‘Deze keer heb ik expres ook moderne vormen van seksualiteit beschreven. Zoals de interesse van jonge mannen voor aantrekkelijke moeders, de zogeheten MILF’s of de fascinatie voor sm’, zegt Giphart.

Wat nu als de Nederlandse bibliotheken ook Lieve door hobbyist mr. J.J.  Groen, diep weggestoken in het duister van het bronsgroen eikenhout, laten beoordelen? De Nederlandse literatuur is natuurlijk ook niet veel meer dan een leuke  hobby.

Macca is geweldig

Maca816 pagina’s Paul McCartney (Macca voor  vrienden) is wel erg veel Paul McCartney. Hij wilde zelf niet meewerken, maar Philip Norman mocht zijn gang gaan van Paul. En dus maakte Philip (‘Paul vindt het goed’!) een rondje langs iedereen die ooit een noot met de man speelde of hem wel eens een hand gaf. Nieuwe inzichten of onbekende smeuïge details levert de uitputtende rondgang niet op. Het is allemaal al eens een keer gezegd of geschreven. Zeker voor de hardcore fans denk ik. Misschien is deze anekdote over Heather, de one legged lady waar McCartney na de dood van zijn geliefde Linda (tot zijn latere verdriet) mee trouwde, wel nieuw: In het ziekenhuis waar haar onderbeen geamputeerd zal worden, krijgt ze bezoek van een maatschappelijk werkster. Heather moet er rekening mee houden, zegt de vrouw met alle goede bedoelingen, dat ze na de amputatie minder aantrekkelijk voor mannen zal zijn.

‘If I lost my arms and my legs, darling’ Heather repllied, ‘I’d still be more attractive than you.’

Meer typerend voor het boek is een zin als deze:  ‘Now, three weeks before his seventy-third birthday, he is near the end of his Out There tour (…) on which he will have given 91 shows across four continents with een estimated gross of $ 225 million.’

Paul is geweldig. Nog steeds.

Patricia Reyes de Bruin

PatPatricia Reyes de Bruin was de enige dochter van de Chileense journalist Alberto Maria Jesus Reyes en public relations adviseur Greetje de Bruin. Alberto vluchtte na de dood van Allende naar Nederland. Hij kon, na een jaar van verveling in een opvangkamp bij Beilen, aan het werk als bureauredacteur op de Spaanse redactie van de Wereldomroep. Alberto trouwde met Greetje van de afdeling communicatie toen hij een contract voor onbepaalde tijd kreeg. Er liepen veel pronte blonde meiden als Greetje rond in de directievleugel van de Wereldomroep, omdat de directeur, een omhoog gevallen boekhouder, dat soort volgzame vrouwen om zich heen verzamelde.
‘Een parmantig haantje tussen zijn hennetjes, die man’, riep Alberto vrolijk als Greetje niet in de buurt was.

Patricia studeerde rechten en werkte later voor een advocatenkantoor in Amsterdam. Ze verveelde zich er al snel, nam ontslag en ging een paar maanden reizen in Zuid-Amerika. Toen ze terug kwam, trouwde ze met een dikke pandjesopkoper (‘mollig’ hield Patricia vol). Hij droeg een glimmend pak en een forse pinkring. Na twee jaar had ze genoeg van hem. De scheiding draaide uit op een klassiek gevecht met veel moddergooien over en weer, maar Patricia liep op het eind met een flinke zak geld de rechtbank uit. ‘Nu hoef ik nooit meer te werken’, zei ze en bestelde een rondje voor het hele café. Ze riep om de haverklap dat ze dorst had als een Zwitserse kolenbrander.

Ed vond Patricia leuk en hij gaf haar een baan. We konden op de redactie wel wat juridische kennis gebruiken zei hij en hij kende haar vader goed. ‘Alberto deugt’, zei Ed en alleen daarom al verdiende zijn dochter een baan.

Patricia viel meteen op in het legertje productieassistentes, regieassistentes en assistentes van de assistentes, waarvan niemand meer precies wist wat ze nu eigenlijk deden. Niet alleen door de hoge hakken die ze altijd droeg, of de korte rokjes, de gruizen stem of dat haar (een bol koperdraad), maar vooral omdat ze haar werk goed deed. Ze werd al snel onze beste producer met een goed gevoel voor bijzondere onderwerpen.
‘Zeg, die bom, de auto van die..’
Ze moet echt naar bed, dacht ik.
‘Heb jij die Smeeds… die kunstenaar, heb je dat nog meegekregen.?’
‘Ja, ik hoorde het op de radio’, zei ik. ‘Die auto ontplofte net toen ik achter de ambulance aanjakkerde.’
‘Gaan we daar….. Moeten wij daar …?’
‘Misschien’, zei ik kortaf. Ik wilde slapen.
Patricia stond op, zette voorzichtig haar glas neer en omhelsde me. Ze keek me aan en veegde met haar tong over mijn lippen. ‘Ik ga slapen angelito’, fluisterde ze. ‘Ik ben dronken.’

 

 

Abraão: Een aai van de zon

Proloog

Proloog

Hanne was al vierentwintig en ze wist nog steeds niet of ze het nu liever met meisjes dan met jongens deed. Jongens hadden ook wel wat vond ze en allebei kon natuurlijk altijd nog. Ze had een obsessie voor seks vertelde ze me, de eerste nacht dat we samen dronken werden.

Hanne stelde vaak en plompverloren vragen en ze verkondigde zonder gêne
uitgesproken meningen over van alles en nog wat. Deze keer kreeg ik het idee dat er in de vertaling van het Deens naar het Engels iets mis ging en dat ze met obsessie eigenlijk interesse bedoelde. Later bleek obsessie toch het enig juiste woord, maar goed, op dat moment schrok ik nog van haar directheid.

Hoeveel vrouwen ontmoet een man in zijn leven? Honderd?Tweehonderd? Aan de meeste ga je snel voorbij. Met een paar dozijn praat en eet je eens wat en met een stuk of tien ga je misschien een stap verder. Er waren er bij die ik later hartgrondig haatte, vooral vanwege hun onoprechtheid waarmee ze zo makkelijk konden leven. Met twee woonde ik langere tijd onder één dak en er was er eentje die ik lief had in de morgendauw, maar toen was ik nog heel jong. Dat klinkt romantisch, maar ik ben haar naam vergeten en herinner me vooral mijn natte knieën.

Van enkele van die vrouwen hield ik onbesuisd en soms ook onbetamelijk,van anderen juist heel doordacht en heel fatsoenlijk.

Het meest hield ik van Hanne.

Hanne Sønderskov had schokkend grote, ijsblauwe ogen. Ze kon er verleidelijk mee kijken door ze nog groter te maken dan ze al waren. Op een bepaald moment vroeg ik of ze dat niet meer wilde doen, want ik verzoop er zo ongeveer in. Ze keek betrapt, maar hield er wel mee op.

Met Hanne en haar vriendin Mette, allebei biologiestudenten, werd ik een week lang dronken van grote flessen bier en zelf gemaakte caipirinhas.

Hanne leefde achter glas.
Ik zag wat ze deed, ik zag hoe ze lachte, hoe ze bewoog, hoe ze at en dronk en hoe ze telkens door haar kastanjebruine haar streek, waardoor het onbedoeld rechtop ging staan (wat een grappig gezicht was), maar het lukte me niet dicht bij haar te komen. Ik kon naar haar kijken, maar haar niet echt raken.

De eerste keer dat ik haar zag, schrok ik, zo mooi vond ik haar. Er kleefde een koele onaantastbaarheid aan haar, maar ik wist meteen, eigenlijk al vanaf het moment dat ze in Abraão van de boot stapte, dat ik zo dicht mogelijk bij haar wilde zijn. Er begon toen een knagend verlangen, dat me lang, te lang, in zijn greep zou houden. Een verlangen dat me uiteindelijk alles van waarde en alles dat ik lief had zou doen verliezen, ook mijn eigen waardigheid.

Mette zaaide in het begin verwarring –onbedoeld, dat wel – over haar relatie met Hanne. Toen ik er naar vroeg zei ze: ‘We sleep together’, waardoor ik een tijdje dacht, dat ze een stelletje waren, maar het betekende toen nog niet meer dan dat ze met zijn tweeën een klam bed in een roze huisje deelden aan de Rua das Flores, ergens halverwege de berg. Dat luchtte me gek genoeg op, maar er verdwenen- ik moet het eerlijk toegeven – ook een paar fantasieën uit mijn hoofd. Dat roze huisje was trouwens niet veel meer dan een groot bed met vier muren er omheen en een lekkend dak er boven. De douche en de keuken, die ze nooit gebruikten, waren buiten. Ze konden geen van beide koken.

Mette was een stevige blonde tante, die zichzelf iets te beefy vond en dat klopte ook wel. Er zat veel vlees aan Mette, maar ze droeg het waardig en ze gebruikte haar lijvigheid -als het zo uitkwam- als wapen. Zo liet ze een plaatselijke Casanova bijna stikken, toen die op een van de dansfeesten waar we ’s avonds vaak naar toe gingen, met iets te veel bravoure zijn hoofd ongevraagd in haar decolleté had gestoken. Nou kon het ventje, omdat hij een stuk kleiner was dan zij, bijna niet anders dan daar zijn hoofd verliezen, maar Mette vermoedde kwade opzet en ze propte zijn hoofd zo diep tussen haar borsten dat hij even geen lucht meer kreeg.
De jongen zwaaide wild met zijn armen en zij riep halfdronken boven de muziek uit, dat hij een miezerig klein mannetje was, dat ook nog eens niet kon dansen, maar dat ze wel heel veel van hem hield.
Ze liet hem net op tijd weer naar lucht happen.

 

 

Autobiografisch

Nachtwerk‘Nee, ik zet er autobiografisch bij, omdat niemand het wil lezen als ik het essays noem.’
P.F. Thomése in een mooi interview van Carolina Lo Galbo in de Volkskrant.

Hoe brengt een schrijver zijn boeken aan de man? Door de waarheid geweld aan te doen en Autobiografieën op zijn bundel verhalen en essays getiteld Verzameld Nachtwerk te zetten. Want alles waar autobiografisch op staat verkoopt.
Mag dat? Prima! In liefde en literatuur is alles geoorloofd. Ook de leugen. Schrijvers liegen de waarheid en waarom dan niet tot op het omslag aan toe.
Thomése zegt: ‘Thuis speelt het een rol, als ik mijn kinderen opvoed, maar als schrijver heb ik niks aan fatsoen.’
Dat is een gedachtegang waar ik heel goed mee kan leven.

 

 

 

Il est mort

jezus-van-nazaret-paul-verhoeven-boek-cover-9789041709899

Hoe is het met Jezus?, vroeg de reporter in Cannes aan Paul Verhoeven. Il est mort zei de regisseur snedig. And he is not coming back. Aldus rapporteerde Bor Beekman in de Volkskrant. Als iemand Bor Beekman heet moet je altijd zijn naam noemen vind ik.

Paul Verhoeven schreef bijna tien jaar geleden een boek: Jezus van Nazaret. Hij zal het dus niet meer verfilmen. Idee mort. Er zijn veel beroemdheden die een boek schrijven. Zelden over Jezus of Spinoza of de Griekse oudheid, vaker over zichzelf en de beperkte wereld waarin ze vrijwillig, maar veelal tot hun verdriet verkeren.
Hier te lande schreef niet lang geleden acteur Thijs Römer  een boek. Is dat erg? Ik vind van niet. Ook al is het volgens critici niet veel meer dan een handvol anekdoten uit de Nederlandse showbizzwereld.
Ik vind; hoe meer boeken, hoe meer vreugd. Hoe beroerd geschreven ook (en dat is hier het geval), er is altijd wel iemand die zo’n boek wil lezen. En tegenwoordig moeten we blij zijn met elke lezer, ongeacht wat hij of zij leest. Hoera, we hebben een lezer!
Kan Paul Verhoeven wèl schrijven? Geen idee. Ik waag me niet aan Jezus. Hij had in ieder geval hulp van zijn biograaf Rob van Scheers (tevens cultuurreporter), wat impliceert dat Paul zijn beperkingen kent. Tegenwoordig kost Jezus van Nazaret als tweedehandsje een paar euro. En de anekdoten van Thijs ook.
Lezer, sla uw slag.

Idolen

BruceIdolen zijn niet alleen aanbeden grootheden, maar volgens de filosoof Francis Bacon ook dwalingen, vooroordelen en drogredeneringen. Hij noemt in zijn Novum Organum vier idols: die van de stam, van de grot, van de markt en van het theater. Het gaat mij hier om de drogreden van de grot; de vergissing dat je eigen werkelijkheid ook die van de ander is.

In Bruce en ik, 29 odes aan Springsteen heeft scribent Mart Smeets een paar duizend woorden nodig om een korte en toevallige ontmoeting met de Boss in New York te beschrijven. Dat het zoveel woorden zijn, komt ook omdat er veel in geknikt wordt. (Knikte hij. Knikte ik. Maar vooral knikte ik.) Ze drinken in een café een kopje koffie en maken een praatje over basketbal. That’s it,  om in het idioom van Mart te blijven.

Terug in Amsterdam wil hij zijn partner vertellen met wie hij koffie heeft gedronken. Maar Mart bedenkt zich. ‘Ach neen (sic), laat maar, zo belangrijk is het ook niet…’ In de werkelijkheid van Mart is een ontmoeting met Bruce Springsteen een niemendal en dan is het dat vanzelfsprekend ook voor zijn partner, die immers in zijn werkelijkheid leeft. Een volbloed grotbewoner, de Mart.

Pijnlijk

CXjdfHQUMAEAz7u‘Haar liefhebbende maar uiterst bezorgde blik vormde een onverwacht hoogtepunt van de uiteindelijke clip’.  Robert Hilburn schrijft het in zijn Johnny Cash, de biografie, een pil van bijna 700 pagina’s.

De clip is van Hurt, een nummer dat singer/songwriter  Trent Reznor schreef midden in een hevige drugsdepressie. Een lied dat fysiek pijn doet als  Cash het zingt. Dan voel je de naald op je huid.  The needle tears a hole, the old familiar sting.

De blik is van June Carter en de blik is geacteerd. Regisseur Mark Romanek (hij deed ook Scream met Michael en Janet Jackson) zag haar tijdens de opnames liefhebbend toekijken vanaf trap. Hij vroeg of ze mee wilde doen in de clip. Ze maakte zich op en keek voor de camera opnieuw liefhebbend en bezorgd. Een onverwacht hoogtepunt.

De videoclip lijkt een allegorie op menselijk verval en er naar kijken is pijnlijk.  June wilde de clip verbieden. Niet om het vertoonde verval. Fans zouden kunnen denken dat zij en Johnny volledig berooid waren.  Pijnlijk liefhebbende schijn als dieptepunt.