BruceIdolen zijn niet alleen aanbeden grootheden, maar volgens de filosoof Francis Bacon ook dwalingen, vooroordelen en drogredeneringen. Hij noemt in zijn Novum Organum vier idols: die van de stam, van de grot, van de markt en van het theater. Het gaat mij hier om de drogreden van de grot; de vergissing dat je eigen werkelijkheid ook die van de ander is.

In Bruce en ik, 29 odes aan Springsteen heeft scribent Mart Smeets een paar duizend woorden nodig om een korte en toevallige ontmoeting met de Boss in New York te beschrijven. Dat het zoveel woorden zijn, komt ook omdat er veel in geknikt wordt. (Knikte hij. Knikte ik. Maar vooral knikte ik.) Ze drinken in een café een kopje koffie en maken een praatje over basketbal. That’s it,  om in het idioom van Mart te blijven.

Terug in Amsterdam wil hij zijn partner vertellen met wie hij koffie heeft gedronken. Maar Mart bedenkt zich. ‘Ach neen (sic), laat maar, zo belangrijk is het ook niet…’ In de werkelijkheid van Mart is een ontmoeting met Bruce Springsteen een niemendal en dan is het dat vanzelfsprekend ook voor zijn partner, die immers in zijn werkelijkheid leeft. Een volbloed grotbewoner, de Mart.